Een artikel over faalangst, omdat ik in het onderwijs vaak de benadering van faalangst vanaf de meest gangbare kant tegenkom: angst dat het te moeilijk zal zijn, angst het niet te kunnen en angst om fouten te maken. Oorzaken kunnen liggen in het niet aankunnen van de stof, onzekerheid, een fixed mindset etc. De gangbare opvatting is: werken aan zelfvertrouwen en mindset en vooral niet tevéél tegelijk van het kind vragen. En in veel gevallen klopt dit.

Er is echter onder hoogbegaafden een vorm van faalangst die enorm onderschat wordt en vaak niet onderkend. Ik noem het omgekeerde faalangst. Een vorm van faalangst die vaak vanuit bovenstaande opvattingen wordt aangepakt en dan juist verergert. Een vorm van faalangst die andere oorzaken heeft dan de ‘gangbare’ vormen van faalangst. Een vorm die veel voorkomt bij m.n. de zeer hoogbegaafden.

Twee voorbeelden ter illustratie. Ik heb een hekel aan statische IQ-getallen, maar omdat er geen goede andere mogelijkheden zijn om deze vergelijking te maken, gebruik ik ze hier toch maar.

 Kind A is 12 jaar en heeft een IQ van 145. Hij heeft de hele basisschoolperiode in een klas gezeten waar het tempo en niveau dat zijn van een gewone basisschool: goed te volgen voor kinderen met IQ’s van 95-110. Het tempo en niveau passen echter niet bij zijn ontwikkelingspotentieel. Zijn ontwikkeling neemt ieder jaar meer afstand van die groep en toch blijft hij de basisstof in dat tempo verwerken. Hij mag de stof compacter doen, en er verrijkende projecten bij doen, die vaak nog steeds onder zijn niveau zijn. Echter er wordt niet versneld. Zijn hersenen kunnen eenvoudigweg de basisstof niet onthouden als deze over meerdere jaren wordt uitgesmeerd en in kleine losse stukjes wordt aangeboden. De andere kinderen in de klas lijken de stof moeiteloos op te nemen. Ook concentreren is een hels karwei voor kind A, de leerstof komt er maar niet in en bij de uitleg dwaalt hij nogal eens af waardoor hij soms een kleinigheid mist die wel belangrijk voor hem is. De schoolresultaten zakken. Gaandeweg zijn schoolloopbaan ontwikkelt kind A gedragsproblemen uit frustratie en angst dat er iets ernstig mis is met hem. Samenwerken met anderen lukt niet, hij wordt als bazig gezien. Uit alles wat hij ziet en hoort blijkt dat deze schoolkaders overal de norm zijn en daar moet je blijkbaar in passen. Al die jaren uit alle macht proberen daar in te passen eisen hun tol. Extreme faalangst zorgt ervoor dat hij werk vermijdt, andere dingen gaat doen, niet meer naar school wil uit angst een beurt te krijgen etc. Hij denkt: ‘Hoe kan het dat iedereen dit kan leren en ik niet?’ Kind A heeft boze buien en hij uit deze  thuis. Ouders en andere gezinsleden moeten schreeuwpartijen aanhoren en er vallen dingen stuk. Ook op school zijn dergelijke problemen ontstaan. De school en ouders vragen zich af of er niet ‘iets neurologisch’ aan de hand is. De faalangst zorgt voor reacties als: “We moeten hem niet overvragen, hij heeft het al moeilijk genoeg.”

Kind B is ook 12 jaar en heeft een IQ van 100. Hij heeft de hele basisschoolperiode in een klas gezeten waar tempo en niveau goed te volgen zijn voor kinderen met IQ’s van 50-65. Het tempo en niveau passen echter niet bij zijn ontwikkelingspotentieel. Zijn ontwikkeling neemt ieder jaar meer afstand van die groep en toch blijft hij de basisstof in dat tempo verwerken. Hij mag de stof compacter doen, en er verrijkende projecten bij doen, die vaak nog steeds onder zijn niveau zijn. Echter er wordt niet versneld. Zijn hersenen kunnen eenvoudigweg de basisstof niet onthouden als deze over meerdere jaren wordt uitgesmeerd en in kleine losse stukjes wordt aangeboden. De andere kinderen in de klas lijken de stof moeiteloos op te nemen. Ook concentreren is een hels karwei voor kind B, de leerstof komt er maar niet in en bij de uitleg dwaalt hij nogal eens af waardoor hij soms een kleinigheid mist die wel belangrijk voor hem is. De schoolresultaten zakken. Gaandeweg zijn schoolloopbaan ontwikkelt kind B gedragsproblemen uit frustratie en angst dat er iets ernstig mis is met hem. Samenwerken met anderen lukt niet, hij wordt als bazig gezien. Uit alles wat hij ziet en hoort blijkt dat deze schoolkaders overal de norm zijn en daar moet je blijkbaar in passen. Al die jaren uit alle macht proberen daar in te passen eisen hun tol. Extreme faalangst zorgt ervoor dat hij werk vermijdt, andere dingen gaat doen, niet meer naar school wil uit angst een beurt te krijgen etc. Hij denkt: ‘Hoe kan het dat iedereen dit kan leren en ik niet?’ Kind B heeft boze buien en hij uit deze thuis. Ouders en andere gezinsleden moeten schreeuwpartijen aanhoren en er vallen dingen stuk. Ook op school zijn dergelijke problemen ontstaan. Vragen we ons hier ook af of er iets neurologisch aan de hand is? Denken we hier ook dat we het kind maar niet moeten ‘overvragen’ om de faalangst niet nog erger te maken?

Vaak zie ik deze kinderen in het VO terecht komen op de Mavo, waar het tempo nog steeds te laag ligt en de stof in kleine stukjes wordt aangeboden. Lage cijfers, depressie, vermoeidheidsklachten, demotivatie, gedragsproblemen en uiteindelijk thuiszitten zijn gangbare gevolgen. Soms mogen ze wel naar Havo of VWO, maar passen stof en tempo nog steeds niet, met dezelfde gevolgen.

Twee compleet identieke verhalen, alleen de IQ-getallen verschillen. Deze vergelijking mag gemaakt worden, want een intelligentieverdeling is statistisch gezien een normaalverdeling. Er zitten ongeveer evenveel mensen onder als boven het gemiddeld IQ.

Toch snappen we allemaal waar bij kind B de angst en frustratie uit voortkomen. Waarom is dat zo verschillend met onze reactie op kind A?

We meten ten opzichte van wat wij normaal, gangbaar vinden. We vinden uitstroom naar VMBO-B laag, Mavo gemiddeld, Havo hoog, VWO zeer hoog. We hebbben niet door dat bij een heel aantal hoogbegaafde kinderen deze normen niet passen. We hebben niet door dat voor sommige kinderen het VWO-tempo en -niveau nog steeds benedengemiddeld zijn en ons verrijkingsaanbod lang niet voldoende.

Bij kind B zien we direct dat het een hel moet zijn om dag in dag uit tussen kinderen met een forse beperking te zitten. Dat het basisstofaanbod totaal niet aansluit en dat zijn ontwikkelingspotentieel elk jaar meer afstand neemt van die van de andere kinderen. Hier zouden we meteen begrip hebben voor de frustratie en het onvermogen om de aandacht erbij te houden. We zouden begrijpen dat het kind spanning opbouwt door het alsmaar moeten leven in een niet passende jas. En we zouden zo snel mogelijk maatregelen nemen waardoor dit kind zijn eigen ontwikkelingspotentieel kon verkennen en invullen. Niet alleen verrijken, maar ook versnellen in eigen tempo, waardoor het steeds groter wordende gat wordt gedicht. Leren in eigen tempo. En zienderogen verdwijnen dan de problemen. Het kind voelt zich gezien en gehoord en krijgt rust en  zelfvertrouwen omdat het dingen doet die bij hem passen. En we zouden het logisch vinden.

Bij kind A zien we niet onmiddellijk dat het een hel moet zijn. Dit kind zit namelijk niet tussen verstandelijk beperkten, maar tussen kinderen waarvan er zoveel zijn en die ‘op ons lijken’. Gemiddeld tot bovengemiddeld intelligente kinderen. We meten af aan wat wij kennen, wat voor ons normaal is, wat wij als slim of moeilijk beschouwen. Toch is het voor kind A een even grote hel als voor kind B. Groter eigenlijk, want bij kind B zouden we het niet in ons hoofd halen hem in de niveau- en tempokaders voor zwakbegaafden te laten blijven. Sterker nog, kind B zouden we niet eens in dergelijke kaders plaatsen.

Faalangst uit frustratie, onzekerheid en het verlangen om niet uit de toon te vallen in een niet passend en te laag onderwijskader dat overal om je heen als norm wordt gehanteerd, is relatief onbekend in het onderwijs. Deze faalangst los je niet op door een kind binnen de kaders te laten blijven, zelfvertrouwen te geven door meer te laten oefenen. Deze faalangst los je alleen op door met het kind zijn eigen ontwikkelingspotentieel en -tempo te gaan verkennen en te benutten. Dan ontstaat groei en zelfvertrouwen en verdwijnt de faalangst. En daarmee de depressie, gedragsproblematiek etc.

Let wel: ik zeg hier niet dat er geen kinderen bestaan die èn hoogbegaafd zijn èn een neurologisch probleem hebben. Ik zeg alleen dat veel hoogbegaafde kinderen forse, soms bijna onbeheersbare problemen ontwikkelen doordat ze uit alle macht in een ‘uniforme’ jas proberen te blijven zitten die hen aangeboden wordt, maar ondanks aanpassingen nog steeds te klein is.

Soms zijn de problemen inderdaad al zo lang gaande dat een kind niet anders meer weet en uit alle macht bij zijn leeftijdsgenoten en binnen de gangbare stof wil te blijven. Het is te bang geworden om een uitzondering te zijn. Een uitzondering in een cultuur met normen en kaders die wij als volwassenen kweken en in stand houden. Dan is het nog een hele toer om het kind te leren dat het zijn eigen weg mag gaan, en wij het daarbij helpen, ook als het een unieke weg is en dat ook dát goed en normaal is.

Ik pleit voor een groei naar onderwijs waarin het normaal wordt om die kaders te laten vallen, verrijkingswerk niet op voorhand als pittig of moeilijk te beschouwen en niet meer zo bang te zijn voor versnellen. Waarin (zeer) hoogbegaafde kinderen mogen weten dat hun unieke ontwikkelingsmogelijkheden de norm bepalen en niet de kaders. Dan zal ook omgekeerde faalangst verdwijnen. Want geen enkel kind wordt ongemotiveerd, boos, gefrustreerd en angstig geboren.